Economen Coelo: Verhuurderheffing moeilijk te rechtvaardigen

Gepubliceerd op:

Sinds 2013 moeten verhuurders van sociale huurwoningen de verhuurderheffing betalen. Volgens de Groningse economen Jacob Veenstra, Maarten Allers en Harry Garretsen, verbonden aan Coelo en de RUG, leidt deze heffing tot economische verstoringen en ongewenste herverdeeleffecten. Een goed alternatief is een algemene bezitsbelasting. Zij vinden deze doelmatiger en rechtvaardiger.

De verhuurderheffing wordt voor circa 90 procent opgebracht door woningcorporaties, de rest komt van particuliere verhuurders. De verhuurderheffing is ingesteld om de staatskas te vullen. Als bijkomende redenen noemde het kabinet destijds het afromen van extra inkomsten door inkomensafhankelijke huurverhogingen en het feit dat de huurmarkt profiteert van overheidsbeleid.

Volgens het kabinet werkt een verhuurderheffing minder verstorend dan bijvoorbeeld een belasting op inkomen of winst. De economen vinden de verhuurderheffing echter een belasting op sommige onroerende zaken die ongewenste prikkels veroorzaakt zoals de vermindering van het aandeel sociale huurwoningen in bezit want duurdere huurwoningen zijn vrijgesteld. Het blijkt dat corporaties dit inderdaad doen.

Via gedragsaanpassingen kunnen verhuurders de verhuurderheffing slechts zeer ten dele ontwijken. Voor een groot deel wordt de verhuurderheffing opgevangen door huurverhogingen. Hoe meer verhuurderheffing een corporatie moet betalen, hoe sterker de huur stijgt. Een groot deel van de verhuurderheffing komt uiteindelijk terecht bij een vrij willekeurige groep huurders. Dit leidt tot niet-bedoelde herverdeeleffecten. De heffing werkt daarnaast denivellerend: woningeigenaren worden immers volledig ontzien.

Ook de extra rechtvaardigingen die het kabinet heeft aangedragen voor de invoering van de heffing lijken discutabel. Ten eerste zou de verhuurderheffing extra huurinkomsten afromen die het gevolg zijn van inkomensafhankelijke huurverhogingen. Corporaties kunnen sinds 2013 de huren van huishoudens met relatief hoge inkomens extra verhogen. Dit moet scheefwonen tegengaan. Dit leidt weliswaar tot extra inkomsten bij verhuurders, maar die vallen in het niet bij de opbrengst van de verhuurderheffing. Bovendien maakt de invoering van de huursombenadering afromen overbodig. Sinds 2017 is namelijk de stijging van de totale huursom per verhuurder begrensd. Er is dus ook geen noodzaak meer tot afroming.

De verhuurderheffing lijkt alleen geschikt als instrument om de financiële mogelijkheden van verhuurders, en corporaties in het bijzonder, te beperken en om (een deel van de) huurders eenzijdig een bijdrage te laten leveren aan het gezond maken van de rijksfinanciën. Als dat inderdaad de bedoeling is verdient het aanbeveling om deze motivatie te expliciteren en de achtergrond ervan toe te lichten. Zo niet, dan kan de verhuurderheffing beter worden aangepast of afgeschaft.

Om toch de gewenste opbrengst binnen te krijgen is een goed alternatief het verbreden van de grondslag tot alle woningen, zo adviseren de economen. Hiermee worden de bezwaren grotendeels ondervangen. Deze belasting kan door gemeenten worden geheven als onderdeel van de bestaande onroerendezaakbelasting, zodat dit geen extra administratieve lasten met zich meebrengt. Dit kan worden gecombineerd met een uitname uit het gemeentefonds ter grootte van de opbrengst van de verhuurderheffing, zodat het geheel neutraal uitpakt voor de rijksbegroting.

Een greep uit ons leveranciersregister


Revoort maakt ruimte voor Woningcorporaties ...

Als ‘total-solution provider’ is Caleffi een voortrekker in de ontwikkeling en de productie ...

Met onze diepgaande kennis van registergoed zorgen we voor een soepele samenwerking tussen alle partners ...